Woordenboek

  • Aficiona(d)o: flamenco-liefhebber
  • a palo (seco): “droog” begeleid, dus zonder gitaar maar door klappen of door tikken met een stok of op tafel
  • Bailaor/bailaora: de danser of danseres
  • Baile: dans
  • Bata de cola: speciale flamenco-jurk, met een lange sleep.
  • Braceo: armbewegingen tijdens de dans
  • Café cantante: café´s waar men vanaf halverwege de 19e eeuw flamenco ten gehore bracht. Ze verdwenen weer rond 1910.
  • Calé/Calo: zigeunertaal
  • Cantaor/cantaora: de zanger of zangeres
  • Cante:zang
  • Cante chico: lichte zang, naam voor de zang van vrolijke lichte palos, zoals Fandangos
  • Cante grande = cante jondo: diepe, serieuze zang, naam voor de zang van zware palos als Soleares.
  • Castañuelas: castagnetten
  • Compás: ritmische structuur, maat.
  • Contra-tiempo: het tegenritme, tussen de tellen in.
  • Copla: couplet
  • Desplante: een ritmische reeks passen, of stampen wat samengaat met de rasgueado op de gitaar.
  • Duende: bezieling, grote bevlogenheid van een flamenco-artiest. Duende is de essentie van de flamenco en het doel om te bereiken.(letterlijk duiveltje,spook, demon, nimf)
  • Escobilla: ritmische improvisatie van voetenwerk, die meestal versnelt en eindigt in een desplante.
  • Falseta: melodieuze variatie op de gitaar
  • Feria: dorpsfeest of festival
  • Flamenco Puro: de pure flamenco, “zuiver”, volgens de traditie.
  • Gitano: Spaanse zigeuner
  • Golpe: stamp met platte voet
  • Golpeo: kloppen op de gitaar, in compás.
  • Jaleo: roepen van aanmoedigingen, zoals ¡Olé!, ¡Eso es!
  • Juerga: feestje in kleine kring waarin flamenco geïmproviseerd kan worden.
  • Llamada: letterlijk: aanroep, moment waarop de danser aandacht vraagt voor de dans. Vaak een vast patroontje.
  • Lettra: vers of tekst van een lied; het gezongen stuk.
  • Opera flamenca: commerciële vorm van flamenco waarin je veel folklore zag. ” In” in het begin van de 20e eeuw.
  • Palmas: ritmisch handgeklap.
  • Palmero/palmera: iemand die klapt.
  • Payo: zoals de zigeuner de niet-zigeuner noemt
  • Peña: flamenco”club”, waar artiesten met of voor aficionados optreden.
  • Pitos: vingerknippen
  • Rasgueado: roffelend, snel aanslaan van de gitaarsnaren.
  • Tablao: plek waar voorstellingen worden gegeven.
  • Taconeo: hakkengeklik van schoenen, ook wel “voetenwerk” genoemd.
  • Tocaor/tocaora: gitarist of gitariste
  • Toque: gitaarspel
  • Zapateado: voetenwerk